Skip to main content

Het fotomoment: waardebepaling op 31 december 2025

Hoe werkt het fotomoment voor de Belgische meerwaardebelasting? Beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde activa, de vier waarderingsmethoden, opt-in voor hogere kostprijs en drie concrete rekenvoorbeelden.

Door Auryth Team

Het fotomoment is misschien wel het meest ingrijpende element van de nieuwe meerwaardebelasting. Het bepaalt de startwaarde van al uw bestaande financiële activa per 31 december 2025. Meerwaarden die vóór die datum zijn opgebouwd, worden niet belast — alleen de waardestijging (of -daling) ná het fotomoment is relevant. De keuzes die u maakt rond het fotomoment hebben directe en blijvende gevolgen voor uw belastingpositie.

Voor het algemene kader verwijzen we naar onze complete gids over de meerwaardebelasting 2026.

Beursgenoteerde activa: de slotkoers

Voor beursgenoteerde effecten — aandelen, ETF’s, beleggingsfondsen met een beursnotering, obligaties — is de waardebepaling eenvoudig en objectief: de slotkoers op 31 december 2025 geldt als fotomomentwaarde. Er is geen keuze, geen interpretatie, geen discussie. De koers is wat ze is.

Voor effecten genoteerd op buitenlandse beurzen in een andere munt wordt de wisselkoers van diezelfde dag gehanteerd.

Niet-beursgenoteerde activa: de menukaart

Voor niet-beursgenoteerde activa — aandelen in KMO’s, familiebedrijven, patrimoniumvennootschappen, private equity — is de waardering complexer. De wetgever biedt een menukaart van vier methoden, waarvan de belastingplichtige de meest gunstige mag kiezen:

Methode 1: Transactiewaarde

De prijs van een recente arm’s-length-transactie in dezelfde aandelen. Dit vereist dat er effectief een verkoop of aankoop heeft plaatsgevonden in een periode die voldoende dicht bij 31 december 2025 ligt om representatief te zijn.

Methode 2: Contractuele waarde

De waarde zoals vastgelegd in een bestaand contract — bijvoorbeeld een aandeelhoudersovereenkomst, een put/call-optie of een waardebepaling in een huwelijkscontract. De contractuele waarde moet uiteraard economisch verdedigbaar zijn.

Methode 3: Formule — EV + 4 × EBITDA

Een forfaitaire waarderingsformule: het eigen vermogen (boekhoudkundig) vermeerderd met vier keer de EBITDA (winst vóór interesten, belastingen, afschrijvingen en waardeverminderingen). Deze methode is bijzonder praktisch voor KMO’s die geen recente transactie of onafhankelijke waardering hebben. De EBITDA wordt doorgaans berekend op basis van het laatst beschikbare boekjaar (afsluitdatum vóór of op 31/12/2025).

Belangrijk: de formule is niet verplicht. Alternatieve waarderingsmethoden zijn toegestaan mits verdedigbaar. Voor vastgoedvennootschappen bijvoorbeeld, die typisch een lage EBITDA maar grote ongerealiseerde vastgoedmeerwaarden hebben, zou de formule een sterke onderwaardering opleveren. Het gebruik van meerdere methoden en gemiddelden is aanvaardbaar.

Methode 4: Onafhankelijke waardering

Een formele waardering door een bedrijfsrevisor (niet de eigen commissaris van de vennootschap) of een onafhankelijk gecertificeerd accountant (niet de eigen accountant van de vennootschap), uitgevoerd conform de professionele normen. De deadline hiervoor is 31 december 2027 — u hebt dus twee jaar de tijd om dit te regelen. Deze methode is vooral relevant voor complexere vennootschappen waar de formule EV + 4 × EBITDA de werkelijke waarde onvoldoende reflecteert (bijvoorbeeld bij significante immateriële activa, vastgoedportefeuilles of groeibedrijven).

De vrije keuze tussen deze vier methoden is een belangrijke troef voor de belastingplichtige: u mag de methode kiezen die de hoogste fotomomentwaarde oplevert, wat resulteert in de laagste toekomstige belasting.

Waarschuwing: de waardering bindt de fiscus niet

Een cruciale nuance: het waarderingsverslag is niet bindend voor de fiscale administratie. De fiscus kan elke aangegeven waarde aanvechten, in het bijzonder als de wettelijke formule niet werd gebruikt. Bewaar daarom steeds de volledige documentatie van de gekozen waarderingsmethode en de onderliggende berekeningen.

De opt-in voor hogere werkelijke kostprijs

Wanneer is opt-in relevant?

Het fotomoment gaat ervan uit dat de waarde op 31 december 2025 uw startwaarde is. Maar wat als u een actief hebt gekocht op een hoger niveau dan de fotomomentwaarde? Bijvoorbeeld: u kocht aandelen op de piek in 2021 voor €150, en op 31 december 2025 stonden ze op €120.

In dat geval mag u opteren voor de werkelijke aanschafwaarde in plaats van de fotomomentwaarde. Dit is de zogenaamde higher-cost opt-in. U kunt deze keuze maken via uw belastingaangifte tot 31 december 2030, mits u de aanschafwaarde kunt bewijzen.

De cruciale beperking: geen kunstmatig verlies

De opt-in mag geen artificieel verlies creëren. De belastbare meerwaarde (of minwaarde) wordt naar beneden begrensd op €0 wanneer de werkelijke kostprijs hoger is dan zowel de fotomomentwaarde als de verkoopprijs. U kunt dus niet via de opt-in een verlies claimen dat groter is dan het werkelijke economische verlies.

Drie rekenvoorbeelden

Om de werking concreet te maken, werken we drie scenario’s uit met dezelfde belegger die een pakket aandelen aanhoudt.

Scenario A: verkoop boven het fotomoment

Bedrag
Werkelijke aankoopprijs (2018)€50.000
Fotomomentwaarde (31/12/2025)€120.000
Verkoopprijs (2027)€180.000

Berekening (standaard, zonder opt-in): de belastbare meerwaarde is €180.000 − €120.000 = €60.000. Na aftrek van de €10.000 vrijstelling betaalt u 10% × €50.000 = €5.000 belasting.

Merk op: de totale economische winst bedraagt €130.000 (€180K − €50K), maar u wordt slechts belast op €60.000 — het deel van de winst dat ná het fotomoment is gerealiseerd. Het fotomoment beschermt €70.000 aan historische winst.

Scenario B: verkoop tussen kostprijs en fotomoment

Bedrag
Werkelijke aankoopprijs (2018)€50.000
Fotomomentwaarde (31/12/2025)€120.000
Verkoopprijs (2027)€90.000

Berekening: de meerwaarde ten opzichte van het fotomoment is €90.000 − €120.000 = −€30.000 (een “papieren verlies”). Dit verlies is aftrekbaar van andere meerwaarden in hetzelfde jaar.

In werkelijkheid hebt u economisch gezien winst gemaakt (€90K − €50K = €40K), maar fiscaal geniet u een verlies. Dit is de asymmetrie in het voordeel van de belastingplichtige: het fotomoment wordt als plafond gehanteerd, en elke daling ten opzichte van dat plafond is een fiscaal verlies — ook als u in werkelijkheid met winst verkoopt.

Scenario C: verkoop onder de werkelijke kostprijs

Bedrag
Werkelijke aankoopprijs (2020)€100.000
Fotomomentwaarde (31/12/2025)€120.000
Verkoopprijs (2027)€80.000

Berekening (fotomoment): €80.000 − €120.000 = −€40.000 fiscaal verlies.

Berekening (met opt-in werkelijke kostprijs): €80.000 − €100.000 = −€20.000 fiscaal verlies.

Hier is het fotomoment paradoxaal genoeg gunstiger dan de werkelijke kostprijs: het hogere fotomoment genereert een groter aftrekbaar verlies. De opt-in is in dit scenario nadelig. Dit illustreert waarom de keuze tussen fotomoment en opt-in per actief zorgvuldig moet worden afgewogen.

Schenking en erfenis: het fotomoment voor de verkrijger

Een bijzonder element is dat de ontvanger van een schenking of erfenis het fotomoment kan gebruiken als startwaarde, ook als die persoon het actief op 31 december 2025 niet zelf aanhield. De begiftigde of erfgenaam erft als het ware het fotomoment van de schenker/erflater. Dit is expliciet zo voorzien door de wetgever en creëert opnieuw een asymmetrie in het voordeel van de belastingplichtige.

Concreet: als uw ouder aandelen kocht voor €30.000, het fotomoment €150.000 bedraagt, en u de aandelen via schenking ontvangt in 2026 en verkoopt voor €200.000, dan bedraagt uw belastbare meerwaarde slechts €50.000 (€200K − €150K) — en niet €170.000 (€200K − €30K).

De asymmetrie samengevat

Het fotomoment werkt als een eenrichtingsmechanisme in het voordeel van de belastingplichtige:

Dit maakt het fotomoment tot het meest genereuze element van de hele hervorming. De keerzijde is dat het een tijdelijk effect is: naarmate de jaren vorderen en de meerwaarden zich opstapelen ná het fotomoment, wordt het relatieve voordeel kleiner.

Volgende stappen